dinsdag 19 januari 2016

Picknicken in het park.

De meest originele ideeën voelen vaak ook als de meest onmogelijke.
Wanneer ik in de supermarkt sta, slaat de twijfel met een koude wind toe.
Ik heb kippenvel op mijn armen terwijl mijn hoofd dusdanig overuren maakt dat ik betwijfel of ik niet oververhit raak.
Voor de koelafdeling kijk ik aandachtig naar de tapas, de drukte om me heen lijkt ineens verdwenen.

Keuzes maken was nooit mijn sterkste kant maar dit hoeft geen rocket science te zijn, kom op denk na.
Wat zou hij lekker vinden? vlees, maar wat voor vlees dan? voor ik het weet sta ik met een lege mand vijf minuten later nog steeds glazig voor me uit te staren.
Ik kijk naar de mensen om me heen en besluit hetzelfde te pakken als de man naast me.
Hij kijkt me een beetje vreemd aan maar het zal wel goed zijn.

Met een rode kop van het fietsen en een zware boodschappentas in mijn hand sta ik twijfelend voor de deur, was dit nou echt zo'n goed idee?

Ik wil hem vanavond vertellen wat ik voor hem voel, wederom niet één van mijn sterkste kanten.
Na mijn getwijfel van de laatste maanden voel ik me nu vrij zeker van mijn keuze, ik weet niet in hoeverre hij dit aan ziet komen en of hij hierop zit te wachten.
Na al onze pogingen om er iets van te maken in het verleden, wil ik hem laten zien dat ik alles achter ons wil laten om ervoor te gaan, maar was dit nou de manier waarop?


Al vloekend op de zware boodschappentas bel ik toch maar aan, let's do this.
Wanneer ik de deur op een kier zie staan en hem met plastic hoor rommelen, weet ik dat hij ergens anders is met z'n gedachten, fijn.
Met een even rood hoofd, komt hij mijn kant op met een bos bloemen. Even langs de buren.
In het portaal hoor ik hem stuntelend uit zijn woorden komen, lief.
Voor mij een moment om ook weer even zen te worden en de juiste woorden te vinden.


Wanneer hij terugkomt oogt hij vermoeid, 'zullen we dan maar?'
We lopen achter elkaar de trap af, ik vooraan zodat ik zijn bewegingen even niet kan lezen.
Buiten lopen we ongemakkelijk naast elkaar richting het park, hij pratend over zijn dag, ik inwendig mopperend op de nog steeds veelte zware tas.

Wanneer ik het kleed over het gras spreid en de tas begin uit te pakken, lijk ik mijn rust weer een beetje te vinden.
Hij kijkt geënthousiasmeerd mijn kant op wanneer hij mij ziet klungelen met de fles wijn, ik krijg mijn handen nog niet genoeg onder controle om die verdomde fles open te draaien.
Hij neemt de fles van mij over en rijkt me een glas aan.
We kletsen verder over koetjes en kalfjes, zijn verjaardag, de druk op werk, klagende buren en het heerlijke weer. 


Een man rent volledig bezweet voor de vierde keer voorbij wanneer we ons prijzen dat we gewoon in de zon kunnen zitten zonder te hoeven rennen met dit weer.

Wanneer er een ongemakkelijke stilte valt weet ik dat ik de kans moet grijpen om mijn woorden eruit te gooien.
Zoals je altijd zult zien in dit soort situaties, is mijn hoofd echter ineens blanco wanneer ik de juiste woorden wil vinden.
Zou hij doorhebben dat ik iets wil vertellen?
Dan begint hij uit zichzelf te praten.
Hij heeft door dat ik in twijfel zat en dat ik continu loop te draaien, gekmakend, ook voor hem.
Duidelijk geen idee wat dit is en waar we eigenlijk mee bezig zijn.

Met ieder woord voel ik de moed in mijn schoenen zakken.
Hij twijfelt aan zichzelf, aan ons en aan mij.


Onder spanning of druk presteer je vaak efficiënter, niet perse beter.    
Ik zeg hem dat ik gek op hem ben en voor hem wil gaan.
Daar schrikt niet alleen hij van maar ook ik, had het nog directer kunnen zijn?
Uit spanning begin ik te ratelen, ik biecht alles op wat in mijn hoofd op popt en mis de pauze knop.
Ik zie hem af en toe verbaasd kijken maar hij blijft me kalm aanstaren.
Wat ik nu wel niet zou willen geven om in zijn hoofd te kunnen kijken.
Ik hoor mezelf praten maar heb geen idee meer wat ik allemaal zeg.
Hier ga ik spijt van krijgen.


Wanneer de hardloper voor de zoveelste keer voorbij komt maakt hij wederom dezelfde grap.
De spanning is gebroken en we moeten er samen om lachen.
Beschaamd staar ik naar mijn wijn, moet ik nu vragen wat hij ervan vind?


'Zullen we maar weer gewoon richting huis gaan? het begint af te koelen.'